Medicamenteuze behandeling

Een behandeling met medicatie is niet bij elk kind of elke jongere met een diagnose ADHD aangewezen. 

1. Bij kinderen onder zes jaar is gebruik van medicatie niet aangewezen. De behandeling bestaat uit psychosociale en opvoedingsinterventies thuis en op school. Bij een ernstig beeld van ADHD dat onvoldoende onder controle kan gebracht worden met deze interventies, is verwijzing naar een derdelijns centrum nodig. In uitzonderlijke gevallen kan in dit centrum beslist worden dat behandeling met medicatie ondanks de jonge leeftijd toch noodzakelijk is (bv. bij gevaar, bij ontwikkelingsstop, bij decompensatie context). Het effect van de medicatie is kleiner bij kleuters en de kans op nevenwerkingen groter.

2. Bij kinderen vanaf zes jaar met een lichte of matige vorm van ADHD wordt ook eerst begonnen met psychosociale en opvoedingsinterventies thuis en op school. Als deze interventies onvoldoende effect hebben, kan medicatie toegevoegd worden aan de behandeling.

3. Bij kinderen vanaf zes jaar met een ernstige vorm van ADHD, biedt starten met medicatie van bij het begin van de behandeling in combinatie met psychosociale en opvoedingsinterventies de beste kansen op succes. Als het kind en/of de ouders weigerachtig staan t.o.v. een behandeling met medicatie, is het nodig om voldoende tijd te nemen om de ernst van de ADHD en de mogelijke gevolgen hiervan te bespreken en de mogelijke voordelen van medicatie uit te leggen. Vooraleer medicatie kan gestart worden moet er in elk geval geïnformeerde toestemming zijn van de ouders en van de jongere.

ADHD is een chronische ontwikkelingsstoornis. Planning en opvolging van de behandeling zijn nodig over langere termijn. De concrete behandeldoelen worden op basis van het diagnostisch onderzoek uitgewerkt in een integraal behandelplan dat geregeld geëvalueerd wordt. Medicatie moet altijd gecombineerd worden met niet-medicamenteuze multimodale interventies.

Samenwerking tussen de basisarts en de specialist (kinder- en jeugdpsychiater of (kinder)neuroloog/neuropediater), die de medicatie opstart is belangrijk. Keuze en titreren van de medicatie gebeurt best door de specialist. Voor sommige vormen van medicatie is terugbetaling mogelijk, indien de specialist opstart en opvolgt. De huisarts of kinderarts ziet het kind of de jongere best om de drie maanden voor een controle van het effect en eventuele nevenwerkingen en het opvolgen van bloeddruk, pols, lengte en gewicht. Eens de medicatie en andere interventies goed zijn ingesteld zal de specialist het kind of de jongere nog minstens één keer per jaar zien voor evaluatie. Daarbij moet ook telkens de vraag gesteld worden of de behandeling met medicatie nog moet gecontinueerd worden.