ADHD met comorbiditeit

Hieronder wordt een overzicht gegeven van aandachtspunten bij keuze medicatie wanneer er sprake is van comorbiditeit.



ADHD en oppositioneel-opstandig gedrag

Zelfde schema als ADHD zonder comorbiditeit.


ADHD en tics

Methylfenidaat kan nog steeds als eerste geprobeerd worden, maar de dosis moet langzamer opgebouwd worden en de evolutie van de tics moet van nabij opgevolgd worden. Meestal is er geen toename van tics onder methylfenidaat, maar soms kan dit wel het geval zijn. Bij de evaluatie moet ook rekening gehouden worden met het spontaan toe- en afnemen van tics in de loop van de tijd. Een periode van een drietal maanden is nodig om de evolutie van de tics onder de behandeling te evalueren. In overleg met de ouders en de jongere moet dan bekeken worden of de voordelen van de ADHD-behandeling groter zijn dan de nadelen ten gevolge van een eventuele toename van tics. Als de nadelen groter zijn, wordt de medicatie gestopt en kan er eventueel gestart worden met guanfacine. Guanfacine kan een tic-reducerend effect hebben. Atomoxetine is een alternatief omdat het ook geen toename van tics zal veroorzaken.

Als de tics zelf behandeling nodig hebben, kan ook andere tic-reducerende medicatie als risperidone, aripiprazole, tiapride of pimozide worden gegeven. Zo nodig kan ADHD-medicatie toegevoegd worden. Bij enkelvoudige tics (of geassocieerde dwanghandelingen) kan ook gedragstherapie geprobeerd worden. Als er een familiale voorgeschiedenis is van tics, zou het kunnen dat het kind voor het eerst tics krijgt na het starten van stimulerende medicatie. Bij een positieve familiale voorgeschiedenis is geïnformeerde toestemming van de ouders nodig vooraleer medicatie begonnen wordt.


ADHD en angststoornissen

Methylfenidaat kan nog steeds als eerste geprobeerd worden, maar de dosis moet langzamer opgebouwd worden en de evolutie van de tics moet van nabij opgevolgd worden. Meestal is er geen toename van tics onder methylfenidaat, maar soms kan dit wel het geval zijn. Bij de evaluatie moet ook rekening gehouden worden met het spontaan toe- en afnemen van tics in de loop van de tijd. Een periode van een drietal maanden is nodig om de evolutie van de tics onder de behandeling te evalueren. In overleg met de ouders en de jongere moet dan bekeken worden of de voordelen van de ADHD-behandeling groter zijn dan de nadelen ten gevolge van een eventuele toename van tics. Als de nadelen groter zijn, wordt de medicatie gestopt en kan er eventueel gestart worden met guanfacine. Guanfacine kan een tic-reducerend effect hebben. Atomoxetine is een alternatief omdat het ook geen toename van tics zal veroorzaken.

Als de tics zelf behandeling nodig hebben, kan ook andere tic-reducerende medicatie als risperidone, aripiprazole, tiapride of pimozide worden gegeven. Zo nodig kan ADHD-medicatie toegevoegd worden. Bij enkelvoudige tics (of geassocieerde dwanghandelingen) kan ook gedragstherapie geprobeerd worden. Als er een familiale voorgeschiedenis is van tics, zou het kunnen dat het kind voor het eerst tics krijgt na het starten van stimulerende medicatie. Bij een positieve familiale voorgeschiedenis is geïnformeerde toestemming van de ouders nodig vooraleer medicatie begonnen wordt.


ADHD en stemmingsstoornissen

Als de stemmingsstoornis (depressieve stoornis, bipolaire stoornis) op de voorgrond staat, moet die eerst behandeld worden voor de ADHD-behandeling begonnen wordt.

Als de ADHD op de voorgrond staat, wordt die op de gebruikelijke manier behandeld, maar de dosis moet langzamer opgebouwd worden, omdat ze de stemming nog meer kan neerhalen. Opvolging van de stemming is dus noodzakelijk.

Indien zowel ADHD als de stemmingsstoornis met medicatie wordt behandeld moet men beducht zijn op medicatie-interacties (bv. atomoxetine en fluoxetine, die door eenzelfde enzyme moeten worden afgebroken en dus lager gedoseerd zullen moeten worden).


ADHD en ASS

Methylfenidaat is de eerste keuze, maar de kans op een positief effect is kleiner dan bij ADHD zonder ASS, en het risico op nevenwerkingen is hoger, zelfs bij lage dosissen. Starten met een zo laag mogelijk dosis (eventueel zelfs 2,5 mg methylfenidaat) en langzaam opbouwen zijn nodig. Atomoxetine, clonidine, guanfacine en zelfs risperidone en aripiprazole zijn mogelijke alternatieven. 


ADHD met risico op middelenmisbruik

Bij een ernstig persoonlijk of familiaal risico op misbruik, kan er gekozen worden voor Concerta (kan niet tot poeder gemalen worden om te snuiven of in te spuiten en laat meer controle door de ouders toe) of atomoxetine of guanfacine.

Bij middelenverslaving is atomoxetine wellicht de best keuze.