Screening

Screening is een selectiemethode om te beslissen wie doorverwezen wordt voor verder onderzoek. Aan de hand van een eenvoudig instrument wordt getracht de kinderen met risico op ADHD voldoende selectief en sensitief te kunnen aanduiden.

Screeningsvragenlijsten op zich volstaan niet om een diagnose te stellen.

Indien de werkhypothese ADHD na screening niet weerhouden wordt betekent dit niet noodzakelijk dat er niets moet of kan gebeuren om een kind te helpen.

De (inter)nationale richtlijnen voor diagnostiek en behandeling raden een universele screening van ADHD af omdat dit zou leiden tot te veel vals positieve verwijzingen.

Wel wordt verwacht dat leerkrachten en eerstelijnshulpverleners in staat zijn om via gerichte screening de juiste kinderen te selecteren voor verder onderzoek. Binnen de eerstelijnszorg zou er volgens de richtlijnen geen diagnose gesteld noch medicamenteuze behandeling opgestart mogen worden.

In deze fase is het belangrijk om signalen (aspecifieke signalen en specifieke signalen) te herkennen die kunnen wijzen op ADHD, maar mogelijk ook op andere aandoeningen die gelijkaardige symptomen kunnen veroorzaken. De bedoeling is om gedrag zuiver te beschrijven zoals het zich voordoet zonder te snel te interpreteren en te labelen.

De signalen van ADHD zijn divers en fluctueren afhankelijk van leeftijd, geslacht en de situatie. Verscheidene psychische, psychiatrische en lichamelijke aandoeningen kunnen als ADHD worden aanzien. ADHD-kenmerken zijn vanaf 6 jaar betrouwbaar te onderscheiden van de normale ontwikkeling.

Alleen als de signalen van aandachtstekort, hyperactiviteit en impulsiviteit ernstig zijn, meer dan zes maanden aanhouden en in verschillende omgevingen impact hebben op het functioneren, kan men ADHD vermoeden.

De ADHD diagnose en het opstarten van een behandeling gebeuren idealiter via een specifieke evaluatie door een deskundige of deskundigenteam. Bij doorverwijzing naar de gespecialiseerde tweedelijnszorg wordt de huisarts best op de hoogte gesteld.