Aandachtspunten

Bij het in kaart brengen van de ADHD-kenmerken dient er rekening gehouden te worden met volgende aandachtspunten:



DE VARIABILITEIT VAN DE ADHD-SYMPTOMEN IN FUNCTIE VAN DE CONTEXT

Bij het bevragen van ADHD-symptomen moet er rekening gehouden worden met de variabiliteit van de symptomen in functie van de context. Het voorkomen van de ADHD-symptomen kan namelijk sterk variëren afhankelijk van de situatie waarin het kind zich bevindt. Zo komen de kenmerken doorgaans het sterkst naar voor in weinig gestructureerde situaties, wanneer er veel afleiding is in de omgeving of er juist niets nieuws te beleven valt, terwijl ze net minder of niet naar voor komen in nieuwe situaties, één-één contact of zeer prikkelende situaties (bv. tijdens TV kijken). Dit geldt ook voor de eigen observaties tijdens het diagnostisch onderzoek. De afwezigheid van ADHD-symptomen tijdens het diagnostisch onderzoek is onvoldoende reden om geen diagnose te stellen, aangezien een diagnostisch onderzoek net gebeurt in een situatie die de ADHD-symptomen minder of weinig uitlokt (nieuwe, spannende situatie + één-één contact).



DE KADERING VAN HET GEDRAG BINNEN DE ONTWIKKELINGSLEEFTIJD VAN HET KIND

Het ook zeer belangrijk om het gedrag van het kind te kaderen binnen de ontwikkelingsleeftijd van het kind. Zeker op kleuterleeftijd is het zeer moeilijk om ADHD-gedag te onderscheiden van het gedrag van een typisch ontwikkelende kleuter. De symptomen zijn op jonge leeftijd nog erg veranderlijk en worden pas stabiel vanaf de leeftijd van 5 jaar. Daarom is het beter om op kleuterleeftijd slechts een tentatieve diagnose te stellen en een herevaluatie te plannen op schoolleeftijd. Afhankelijk van de ontwikkelingsleeftijd staan bepaalde symptomen meer of minder op de voorgrond. Zo staan bij kleuters de hyperactieve-impulsieve klachten op de voorgrond, terwijl deze klachten tijdens de lagereschoolleeftijd afnemen en zich in de adolescentie eerder vertalen in innerlijke onrust. Gezien in de adolescentie de vereisten voor cognitieve inspanning, planmatig werken en het opvolgen van deadlines sterk toenemen, worden de beperkingen van een jeugdige met ADHD op dit vlak ook duidelijker (voorbeelden die in DSM-5 worden genoemd zijn: moeite om gericht te blijven luisteren tijdens lessen of gesprekken, moeite om een langere tekst te lezen, slechte tijdsorganisatie, deadlines niet kunnen halen en aversie en vermijdings- of uitstelgedrag voor het werken aan verslagen).



HET OMGAAN MET INCONSISTENTIES TUSSEN VERSCHILLENDE INFORMANTEN EN METHODEN

Bij het raadplegen van meerdere informanten (ouders, leerkracht, jongere) op verschillende manieren (gesprek, observatie, vragenlijsten) komen vaak inconsistenties tussen verschillende bronnen naar voor. Het is belangrijk dat de diagnosticus kritisch reflecteert over alle mogelijke invloeden op rapporteringen: waarden en normen van de informanten, ouderlijk conflict, de eigen houding van de diagnosticus t.o.v. ADHD, eventuele halo-effecten (als kinderen hoog scoren op gedragsproblemen wordt er soms automatisch ook hoog gescoord op ADHD-symptomen zonder voldoende differentiatie te maken), enz. De diagnosticus nodigt de informanten uit om te beschrijven waarom ze bepaalde symptomen hebben bekrachtigd en hoe het gedrag zich toont in het dagelijks leven. Hij dient te beschikken over de nodige klinische training, vaardigheden en ervaring om met deze eventueel inconsistente informatie om te gaan.